GALERIE GEUKENS & DE VIL

Leopoldplaats 12, 1e verdieping

Bij het binnenkomen slaat Joris Van de Moortel (°1983, Gent) de bezoeker om de oren met zijn monumentale werk The revelation of Matur, an apocalypse of many (2022). Het werk bevat tal van kunsthistorische referenties: de houtsneden van Albrecht Dürer (1741-1528) (o.a. De openbaring van Johannes, het openen van de 5e en 6e zegel), de maniëristische stijl van El Greco (1541-1614) en De dulle Griet van Brueghel (1525/30-1569). Bovenaan speelt de 'Matur' –  'Le Mat' of het 'The Fool'-personage uit de Tarot –  de dubbele fluit. Vergezeld van 'Chant figuren' en 'Treble engelen' met o.a. muziek attributen, kijkt hij neer op de Dag des Oordeels, waarbij de zon zwart kleurt, en de maan rood als bloed, en een regen van sterren neerdaalt op geraamtes met menselijke maskers die de ziel verleiden tot de dans des doods. De foto’s en neon cijfers verwijzen naar de vier elementen (water, wind, vuur, lucht) en de zeven sacramenten (glas, vuur, wit, was, rook, vandaal, aarde) die Van de Moortel steeds weer gebruikt in zijn performances. Door herhaaldelijke verwijzingen naar de Apocalyps, obscure symboliek en kunsthistorische referenties houdt Van de Moortel de kijker een onaangename spiegel voor. Hoe kunnen we actief beginnen handelen om zowel onze ziel (soul) als onze aarde (soil) te redden?

 

De redenen van een nakende ondergang? Een sterke bevolkingsgroei, overexploitatie van grondstoffen, ontbossing, vervuiling, … het zijn slechts enkele voorbeelden die zorgen voor een overbelasting van de aarde. Laatstgenoemde brengt Maarten Vanden Eynde (°1977, Leuven) onder de aandacht met zijn werk Plastic Reef (2008). Hij viste een ton plastic afval uit de Atlantische, Grote en Indische oceaan. Dit afval smolt hij vervolgens tot een onnatuurlijk rif waarmee hij zowel de vervuiling van oceanen als het verdwijnen van koraalriffen aanklaagt. In het midden van het koraalrif is een natuurlijk element geplaatst, een klein organisch koraal dat overleeft in een zee van plastic soep.

Op een berg aarde wordt het werk 4 Step Shovel (2015) van Laure Prouvost (°1978, Croix) geplaatst. Als een archeoloog/antropoloog haalt de kunstenaar oudere lagen aarde, en de daarbij horende geschiedenis en herinneringen, naar boven om ze te onderzoeken. Het is een proces dat parallel loopt met haar vastberaden zoektocht naar de mysteries van de menselijke natuur. Ze graaft om antwoorden te formuleren en inzicht te krijgen in de menselijke conditie, de manier waarop we omgaan met onze voor- en grootouders en onze natuurlijke omgeving.  Het werk maakt deel uit van een serie gebaseerd op de film Burrow Me (2009) over Prouvosts fictieve grootvader, een conceptueel kunstenaar die 20 jaar geleden zou vermist zijn geraakt bij het graven van een tunnel tijdens een performance: “With your bare hands or with a shovel, dig into the ground, climb through the narrow burrow. Covered in sand and gravel, among the dirt, you might find a granddad wandering through the subterranean passages”.

In de aangrenzende ruimte staat Windswept (2021) een monumentale boom geassembleerd uit stukken drijfhout, van Els Dietvorst (°1964, Antwerpen). Al wandelend langs de kust van Ierland (waar de kunstenaar woont en werkt) ontdekte Dietvorst dat de bomen door de continue wind een gebogen vorm aannemen. Bij de lokale bevolking staan deze bekend als shrugs. Windswept kan gezien worden als een kwetsbaar schuiloord, dat bescherming biedt tegen wind of regenval. De natuur biedt ons een veilige en geborgen haven, maar wat geven wij terug? Het werk reflecteert tevens over de relatie tussen onze vrijgevige woonplaats (de aarde) en zijn bewoners (onszelf).

Links naast de schoorsteenmantel toont Loïc Van Zeebroek (°1994, Nazareth) een mysterieus landschap Untitled/Landschap (2022). Van Zeebroek vertrekt vanuit botanisch werk, renaissancekunst, en de klassieke (romantische) landschapsschilderkunst die hij ontdoet van ballast en omvormt tot ‘stiltegebieden’. Het zijn droomwerelden waarbij introspectie centraal staan. De geladen en bedrukte sfeer dat het landschap met zich meebrengt, reflecteert over de dreiging en het sublieme van de natuur dat de mens tot bescheidenheid dwingt.

En guerre avec la terre (2021) van Arpaïs Du Bois (°1973, Gent) bouwt verder op deze thematiek. De natuur komt in opstand tegen de overexploitatie van haar grondstoffen, waardoor we haar natuurlijke grenzen constant overschrijden. Als tegenreactie krijgen we steeds extremere weersomstandigheden en klimaatrampen. De aardekleuren die lijken te exploderen op het werk visualiseren zowel onze aanslag op de aarde als de repercussie van onze planeet.

In hoeverre kunnen we de natuur imiteren? An Ornament for the Soil (2022) van Veronika Bezdenejnykh (°1990, Almaty, Kazachstan) gaat op zoek naar een verloren paradijs via het creëren van een (on)natuurlijk toevluchtsoord. Bezdenejnykh vult de muur met gestileerde sinaasappel- en palmbomen, iris bladeren en boomstammen. Het is geen nabootsing maar eerder een stilering gebaseerd op waarnemingen uit haar herinnering. Het coloriet is fel en artificieel en doet denken aan digitale beelden die geknipt en gecopy-paste worden. De mozaïekpatronen zijn een gedigitaliseerde versie van het florale stucwerk aan het plafond. Paradise Lost zit hem niet in de exacte weergave van natuurelementen, maar eerder in het feit dat ze een herinnering eraan oproepen. Via dit werkt doet Bezdenejnykh een poging om ‘herscheppend’, met de vrijheid die ons als mens gegeven is, op zoek te gaan naar een nieuw paradijs.

 

Bonbonnière

In de bonbonnière creëert Otobong Nkanga (°1974, Kano, Nigeria) met Silent Force, Red Caress een in situ installatie waar zorg voor lichaam en geest centraal staat. Ze brengt het lichaam in een (broodnodige) staat van ontspanning door het samenbrengen van materialen en stoffen die gekend staan voor hun helende werking. Waar de touwen en het tapijt een zachte, tactiele omkadering vormen, zorgen geneeskrachtige stenen, kruiden en etherische oliën (van St. janskruid) voor een serene gemoedstoestand. Het handgeschreven gedicht op de muur zet, dankzij de raadselachtige betekenis, aan tot contemplatie. Nkanga is duidelijk: zorgen voor onze geest en lichaam is van even groot belang als het zorgen voor onze wereld.

Rode ruimte

De werken in de kleine donkerrode ruimte reflecteren ten slotte over isolatie, verlies en eenzaamheid, kenmerkende gevoelens tijdens de Covid-19 pandemie. De kleine verdonkderde ruimte verwijst naar de vier muren waarbinnen het grootste deel van ons leven zich de voorbije jaren afspeelde. Luc Tuymans (°1958, Antwerpen) zet met Intermission (2020) letterlijk en figuurlijk de gedwongen afwezigheid van de cultuursector in de schijnwerpers. Het staat symbool voor de lege theater-, concert-, museum- en cinemazalen en de onzekerheid en machteloosheid die de precaire situatie teweegbracht bij kunstenaars. Social Distance (2020) toont een bovenaanzicht van aantal personen gekluisterd voor een scherm. De fysieke afstand probeerden we te overbruggen door online verbinding te zoeken. De kadrering van het werk creëert eveneens het gevoel dat we naar een scherm kijken, en zo maar een deel van werkelijkheid kunnen zien.

De anderhalve meter afstand die krampachtig behouden moest blijven, keert eveneens terug in het werk van Ruben Bellinkx (°1975, Wilrijk). Zijn Design for a raw iron Fence (2022) brengt de moeilijke evenwichtsoefening, eigen aan de coronacrisis, in beeld: afstand houden uit veiligheid tegenover het verlangen naar fysieke connectie met je naasten.

Op een gerafelde Mexicaanse bandana beeldt Francis Alÿs (°1959, Antwerpen) een momentopname af waarvan hij zelf getuige was. In de straten van Tepoztlàn te Mexico trof hij een eenzaam figuur met mondmasker aan. Het herinnert ons aan de gevaren van de mondialisering. Juist doordat we wereldwijd met elkaar verbonden zijn, kunnen virussen en ziektes zich makkelijker verspreiden. Zelfs tot in desolate dorpen in Mexico.

Het mondmasker komt ook voor in Care (2020) van Pélagie Gbaguidi (°1965, Dakar). In de context van de Lubumbashi biënnale ontmoete Gbaguidi vrouwen die stofmaskers droegen in de Congolese mijnen tijdens het ontginnen van mineralen voor technologie als gsm’s of autobatterijen. Het geborduurde mondmasker refereert dus niet enkel naar de pandemie maar ook naar het ongezonde werk dat deze vrouwen moeten uitvoeren. Als drager van het werk koos Gbaguidi voor een medische bijsluiter uit 2020, wat een extra verwijzing vormt naar de pandemie.

Huisvesting bleek een hekel punt te zijn tijdens de crisis. De onveilige en ongezonde omstandigheden in woonblokken, waar mensen erg dicht op elkaar leven, werden nog meer dan anders onder de aandacht gebracht. Het kleine werk (1996) van Francis Alÿs, waar een vogelhuisje op kalkeerpapier voor een appartementsgebouw geplakt is, speelt hierop in. Het verbeeldt een wens om uit te breken, om de vleugels uit te slaan en betere leefomstandigheden op te zoeken. Tegelijk wordt de aandacht gevestigd op het verlangen naar een veilig nestgevoel: het kooitje dat verhoudingsgewijs veel groter is dan de appartementsblokken op de achtergrond.

 

Een eenvoudig, tweedimensionaal huis is eveneens te zien bij Walter Swennen (°1946, Brussel) zijn schilderij Huispijn (2017). Het alleenstaande huis wekt dankzij het kleurgebruik, de vlakheid en hoge horizonlijn een solitair gevoel op. Het roept een eenzaam en machteloos gevoel op. Een gevoel dat ongetwijfeld voor velen herkenbaar is (geweest).